De Berini’s – De Straat (1995)

Met: Marjolein Meijers en Hans Kemeling
Tekst: Marjolein Meijers, Pieter van Empelen, Hans Kemeling
Regie: 
Pieter van Empelen
Muziek: 
Marjolein Meijers
Decorbouw: 
Bart Kuppens
Decor idee: 
Marjolein Meijers en Hans Kemeling
Poster: 
de Verbeelding/ Jack Putting
Geluid: Peter Heiden
Licht en lichtontwerp: Paul van der Kuil
Ontwerp CD-hoes: Don Heijman

Terug van vakantie, weer thuis in hun vertrouwde buurt, hetzelfde geluk,
dezelfde sores. Maar er zijn ook dingen veranderd, nieuwe bovenburen, de buurtwinkel, mensen op straat (vreemdeling in eigen land?).
An is haar ‘loopie’ kwijt:

“Het winkeltje van op de hoek behoort nou bij een Surinaamse keten
Ik weet er de weg niet meer te vinden als ik een stampotje wil eten
En bij de bakker op het pleintje, daar verkopen ze nou brood
dat nooit meer in je trommel past, als een wagenwiel zo groot

Ik ben m’n loopie kwijt.
De geurtjes uit de huizen, als je langs de gevels loopt
Is dat eten wat ik ruik of iemand die z’n sokken kookt?
En dan opeens, dan is het feest en klinkt muziek tot in de nacht
maar in de morgen weer geen buurvrouw die met de koffie op me wacht

Ik ben m’n loopie kwijt.
Vroeger zat Lenie nog op zestien en Jeanet die zat op zeven
daar kon je langs met je verhaal of met je sores om het even
Maar toen ook zij hier zijn vertrokken, is ook de lol hier weggegaan
Niet da’k ze niet mag, die nieuwe mensen, maar ‘k heb er weinig aan.
Iedereen zit binnen, opgesloten, luxaflex omlaag.
Geen gezelligheid – tot mijn spijt ben ik m’n loopie kwijt,

ben ik m’n loopie kwijt.
Deze mensen leven anders, hebben andere gedachten
en als ze het eerlijk mochten zeggen,
zaten ze ook niet op ons te wachten
andere normen, andere waarden, soms zelfs uit een andere tijd
niet dat zij het kunnen helpen, maar tot mijn spijt
ben ik m’n loopie kwijt.”

An wil eigenlijk wel verhuizen, naar de Zevenkamp ofzo; lekkere grote,
vierkante kamers, hoge plinten, makkelijk schoon te houden ook.
Har is tegen:”al die tv’s staan in dezelfde hoek, konijnenhokken zijn’t”.
An krijgt het steeds moeilijker, ook bij het boodschappen doen:

“In de winkel bij ons op de hoek
ga ik me steeds meer verbazen
ze hebben er nooit meer wat ik zoek
van paarse bonen tot lichtgroene kazen
en de muziek die staat er steeds aan
maar je kan elkaar best nog verstaan

Oh koolrabi met zwart karwij,
mangosap met kalkoenenei
rammenas met ramboetan, dat staat ook zo leuk in de vensterbank
paarse lullen in een pot of blauwe glibbers in het snot
en ik maar zoeken naar m’n prei;
maar die ligt er helaas weer niet bij.”

Binnen, thuis in hun eigen wereldje, spelen ze, met meer en minder succes
hun eigen fantasie├źn uit.Maar niemand kan de wereld buiten sluiten.

Op een dag komt Harrie thuis en treft een knorrige An, op zich niet zo
bijzonder, maar dit keer is er meer aan de hand.Na aanhoudend doorvragen komt de aap uit de mouw; An is op straat lastig gevallen; onzedelijk betast, zeg maar en de dader(s) is/zijn bekend.Er is niks ernstigs gebeurt, maar toch.

Harrie barst uit z’n vel.
Ondanks alle tegenwerpingen van An (“ze kunnen wel messen hebben”),
sleept hij haar mee naar het Marokkaanse koffiehuis op de hoek.
Want zo ligt de zaak, helaas. Het waren die Marokkaanse jongens die daar
altijd rondhangen. Het had om het even wie kunnen zijn. Dit was niet zomaar een gefrustreerde puber of idioot; dit was een botsing tussen waarden en culturen.

En Harrie zegt waar het op staat, met gevoel en mededogen, maar ook onverbiddelijk:

“Kijk, ik woon hier en ik wil hier blijven wonen. Dus wij zijn buren.
Ali, jou help ik toch ook wel ‘es met een brommerfiets als d’r wat is.
Yousoef, jou help ik toch ook wel ‘es met een formuliertje. Kijk, als ze
in de rest van de wereld elkaar de schedel inslaan, daar heb ik hier geen
reet mee te maken, want wij zijn buren!
Ik heb jouw vrouw hoog zitten en dan verwacht ik ook dat je die van mij
met respect behandelt
Dus als er iets is, ik woon op 53a Je kunt altijd langskomen”.